Veiligheid

Voor veel kinderen is het best spannend om naar de BSO te gaan, zeker in het begin. Een andere omgeving, andere kinderen, andere volwassenen - genoeg redenen om je onzeker te voelen. Het is jouw taak als begeleider om alle kinderen een veilig gevoel te geven. Dat doe je op drie manieren:

  1. door je eigen gedrag
  2. door te zorgen voor een positieve sfeer in de groep
  3. door te zorgen voor structuur

Je eigen gedrag

Je zorgt er allereerst voor dat alle kinderen weten hoe het er praktisch aan toe gaat in de groep. Waar gaan de kinderen zitten bij binnenkomst? Waar laten zij hun eigen spulletjes? Mogen ze zelf speelgoed pakken? Welk dagritme wordt er aangehouden? Je geeft deze informatie uit eigen beweging, want niet alle kinderen durven erom te vragen. De informatie neemt onzekerheid weg bij de (nieuwe) kinderen en draagt bij aan een sfeer van verbondenheid: we zijn hier allemaal nieuw geweest  en hebben allemaal moeten wennen in het begin.

Je geeft alle kinderen het gevoel dat ze welkom zijn en dat je er voor hen bent als ze je nodig hebben. Wat er ook gebeurt, ieder kind weet dat jij in de buurt bent om te helpen – als een kind is gevallen, als er een conflict is, als een kind niet snapt hoe iets werkt of uitgevoerd moet worden. Meestal ben je niet eens echt nodig, maar alleen al de wetenschap dat je beschikbaar bent is voor de kinderen een belangrijke geruststelling. Je hebt oog voor de wat stillere kinderen, die je actief aandacht geeft en die je bewust bij een activiteit betrekt. 

Je laat door je eigen gedrag zien welk gedrag je verwacht van de kinderen. Je bent vriendelijk, je laat kinderen uitspreken, je maakt een kind nooit belachelijk. Als een kind ongewenst gedrag vertoont, spreek je het aan op zijn gedrag, niet op zijn persoon. Als je boos bent geweest op een kind, maak je het ook weer goed. Zo zien kinderen een goed voorbeeld van hoe zij zich zelf horen te gedragen.

Je geeft alle kinderen het gevoel dat ze welkom zijn en dat je er voor hen bent als ze je nodig hebben

Een positieve sfeer in de groep

Je zorgt voor een positieve sfeer in de groep door zelf altijd een positieve houding aan te nemen en door de kinderen te laten merken dat je positief gedrag waardeert: “Dat is heel lief van jou, dat je Sam ook mee laat spelen.” Je bevordert contacten en vriendschappen in de groep door kinderen samen te laten spelen in tweetallen of in kleine groepjes. Je laat de kinderen als groep meepraten over bijvoorbeeld een uitstapje of de aanschaf van nieuw speelgoed. Zo merken de kinderen dat ze worden gehoord en tegelijkertijd leren ze naar elkaar luisteren.

Je zorgt ervoor dat de kinderen weten wat de regels zijn voor het omgaan met elkaar. De regels gaan over: groepsverantwoordelijkheid, respect, samenwerken, overleggen en omgaan met conflicten. Je houdt er oog voor dat de regels worden gevolgd en je benoemt formele en informele momenten waarop dit goed gaat.

Geef sociaal vaardige kinderen veel ruimte om als voorbeeld te dienen voor de andere kinderen. Tegelijkertijd zorg je ervoor dat deze kinderen geen voorrangspositie verwerven, juist doordat zij makkelijk contacten maken en zich goed voegen in een groep. Dit kun je voorkomen door ook oog te hebben voor kinderen die dit minder makkelijk doen en zich eerder terugtrekken en daardoor minder opvallen.Je hebt ook oog voor kinderen die storend gedrag vertonen. Je zorgt ervoor dat ook zij met andere kinderen samenspelen en je begeleidt dit intensief, door zelf mee te spelen. Je neemt wat meer de tijd om kinderen met storend gedrag structuur te bieden: wat zijn de regels, wat verwacht ik van de kinderen, wat gebeurt er als een kind zich niet aan de regels houdt, enzovoorts.

Geef sociaal vaardige kinderen veel ruimte om als voorbeeld te dienen voor de andere kinderen

Structuur

Structuur is een belangrijk aspect van veiligheid. Structuur geeft houvast en zekerheid. Je weet wat je kunt verwachten. ‘Structuur’ heeft betrekking op: structuur in de ruimte (een vaste plek voor materialen en activiteiten, met aanduidingen voor wie het mag pakken), structuur in het programma (een vaste volgorde in de activiteiten, ruimte voor vrij spel) en structuur in de groep (vaste groepsregels, vaste groepsindeling en vaste pedagogisch medewerkers). Een opendeurenbeleid is een aparte structuur. Hierbij hebben kinderen na de start in hun ‘stamgroep’ de gelegenheid om zelf te kiezen, los van hun groep, waar ze spelen, wat ze doen en met wie. De begeleiders werken dan bijvoorbeeld niet op een vaste groep, maar bij een vaste activiteit (bijvoorbeeld buiten spelen).

Het is belangrijk dat je niet alleen structuur biedt, maar dat je de structuur ook expliciet duidelijk maakt aan de kinderen. Je benoemt bijvoorbeeld altijd de overgangen tussen verschillende onderdelen van het programma. Je maakt binnen het team afspraken met elkaar over hoe je de structuur hanteert en hoe je de regels toepast. Ook de kinderen mogen meedenken en meebeslissen over de regels.

Veiligheid

  • De wettelijk vastgelegde fysieke aspecten van veiligheid vallen buiten het kader van deze publicatie. Raadpleeg hiervoor: Veiligheidsmanagement – methode voor de buitenschoolse opvang, op: www.inspectiekinderopvang.ggd.nl