Praktijkvoorbeeld

Als pedagogisch medewerker zet je deze interactievaardigheden steeds in als je contact hebt met kinderen of de contacten tussen de kinderen onderling stimuleert. Maar ook als je geen direct contact hebt met de kinderen, kun je met interactievaardigheden bezig zijn. Dit doe je door een geordende en uitdagende omgeving te creëren, waar kinderen zich veilig voelen en volop mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen. Hieronder wordt een voorbeeld uit de praktijk beschreven met daarachter tussen haakjes de interactievaardigheid die de pedagogisch medewerker in de praktijk brengt. 

Het is een regenachtige dag en de kinderen van de BSO zijn in groepjes binnen aan het spelen. Aan een tafel zit een aantal kinderen van 7 en 8 jaar te knutselen. Ze zijn bezig om een masker te maken. Ook Daan van 5 is aangeschoven. Hij pakt een kleurpotlood en begint met grote halen te kleuren. Hij gaat hierbij regelmatig over de lijntjes heen. ‘Nee, Daan, je doet het niet goed. Je kleurt helemaal over de lijntjes heen’, roept Michelle (8). ‘Kijk maar bij mij, zo moet het.’ Daan knikt. Hij begint weer te kleuren, maar al snel stopt hij ermee en pakt een schaar om het masker uit te knippen. ‘Je kan nog niet gaan knippen’, zegt Michelle. ‘Je bent nog helemaal niet klaar met kleuren. Kijk hier is het nog wit en hier. Hier ga maar weer kleuren’. Ze pakt de schaar van Daan af en geeft hem een kleurpotlood. Daan kijkt haar beteuterd aan. Hij weet niet goed wat hij moet doen, maar begint dan weer te kleuren. Even later stopt hij weer en wil weer de schaar pakken. ‘Nee, Daan, je hebt het masker nog niet helemaal ingekleurd’, zegt Michelle en ze schuift het bakje met scharen opzij. Daan rekt over de tafel heen om toch bij de scharen te komen. Pedagogisch medewerker Anneke heeft het voorval zien gebeuren en loopt nu naar de knutseltafel toe. ‘Zo dat worden mooie maskers?’, zegt ze (sensitieve responsiviteit). De kinderen kijken verrast op en glunderen. ‘Maar Daan heeft nog niet alles ingekleurd, zegt Michelle. ‘Ik denk dat Daan zijn masker zo mooi vindt, hè Daan? Ze kijkt naar Daan. (respect voor autonomie). Daan knikt. ‘Ik wil knippen, zegt Daan’. ‘Pak maar een schaar dan’, zegt Anneke. Daan pakt een schaar. Hij aarzelt even waar hij moet beginnen. Anneke wijst Daan aan waar hij moet knippen. ‘Let goed op dat je deze stukjes niet afknipt’, zegt ze, terwijl ze wijst naar het papier. ‘Hier komen straks de elastiekjes door, die je om je oren moet doen (praten en uitleggen). Daan heeft nog wat moeite om recht te knippen. ‘Het gaat scheef’ , zegt Daan. Anneke pakt een potlood en trekt een grote lijn om het masker heen. ‘Knip maar om deze lijn heen’, zegt ze, ‘dan geeft het niet als je scheef gaat (sensitieve responsiviteit, structureren en grenzen stellen, stimulering van de ontwikkeling). ‘Misschien wil Michelle straks wel helpen om het randje eraf te knippen, stelt Anneke voor. Vraag het maar aan haar (begeleiden van interacties tussen kinderen). Ze kijkt Michelle en Daan aan. ‘Wil jij straks het randje eraf knippen, Michelle?’, vraagt Daan. Michelle begint te glunderen. Ze knikt. ‘En ik help je ook wel met de elastiekjes’. Een half uurtje later staan Michelle en Daan plotseling voor Anneke. ‘Boe’, roepen ze allebei tegelijk vanachter hun masker.