Motorische ontwikkeling

De motorische ontwikkeling heeft betrekking op het leren bewegen en is in te delen in grove en fijne motoriek. Bij grove motoriek gaat het om grote lichamelijke bewegingen zoals rollen, lopen, dansen, balanceren, springen, et cetera. Bij fijne motoriek gaat het om de handmotoriek en andere (kleine) bewegingen zoals spreken en het bewegen van de ogen. Een goede motoriek is een belangrijke voorwaarde om samen te kunnen spelen. De basis voor de motoriek wordt gelegd in de eerste twee levensjaren, maar blijft zich ook daarna verder ontwikkelen. Het is belangrijk om kinderen in hun motorische ontwikkeling te (blijven) ondersteunen door middel van spel, bewegingsactiviteiten en bewegingsruimte, zowel binnen als buiten. Kinderen moeten zich vrij kunnen bewegen en hun energie kwijt kunnen. Bijkomend voordeel is dat niet alleen de motoriek geoefend wordt, maar dat ook overgewicht wordt tegengegaan. Maak kinderen er wel van bewust dat ze niet alleen zijn in de ruimte.  

Kinderen moeten zich vrij kunnen bewegen en hun energie kwijt kunnen

Motorische vaardigheden worden al geoefend in spontaan spel. Dat geldt zeker voor bewegingsspel, waarbij kinderen rennen, klimmen, springen, rollen, duwen, fietsen, et cetera. Maar ook het bouwen van torens vereist (naast concentratie) een goede oog-handcoördinatie en een goede fijne motoriek, evenals activiteiten als tekenen en knutselen. Daarnaast is het goed om verschillende bewegingsactiviteiten te organiseren die aansluiten bij de motorische vaardigheden van de kinderen. Bewegingsactiviteiten hebben betrekking op de lichaamsoriëntatie, ruimtelijke oriëntatie, tijdsoriëntatie én grove of fijne motoriek. Bij het organiseren van spel en bewegingsactiviteiten moet je dus niet alleen rekening houden met de beschikbare ruimte, maar ook met de leeftijd van de kinderen. Daarbij moet je je ervan bewust zijn welke motorische vaardigheden van belang zijn.

Kinderen tussen 4 en 6 jaar

Kleuters hebben al aardig wat controle over hun bewegingen. Zo kunnen ze rennen zonder te vallen en kunnen ze met een bal overweg. Het evenwichtsgevoel ontwikkelt zich sterk in deze fase, evenals de oog-handcoördinatie. Activiteiten als klimmen, glijden van de glijbaan, fietsen, gooien, vangen, hinkelen, balletje trappen, springen, tekenen, schilderen en kleien zijn populair. Ook de fijne motoriek verbetert in deze leeftijdsfase, zo leert de kleuter de draad in een naald doen, binnen de lijntjes kleuren en knoopjes dicht doen.Kinderen hebben behoefte aan avontuur en mogelijkheden om deze vaardigheden te oefenen. De motorische ontwikkeling gaat met vallen en opstaan. Dat hoort erbij. Zorg voor een veilige omgeving en laat kinderen weten dat je in de buurt bent om eventueel te helpen. Houd er rekening mee dat kleuters graag bewegen, maar snel moe zijn omdat ze nog niet over voldoende spierkracht beschikken. Richt je qua bewegingsactiviteiten vooral op de grondvormen, zoals klimmen, lopen, balanceren, klauteren, stoeien, et cetera. Ze zullen deze bewegingen snel onder de knie krijgen. Een bal vangen, gooien en schoppen gaat ook snel beter en met meer controle.

De motorische ontwikkeling gaat met vallen en opstaan

Kinderen tussen 7 en 9 jaar

Het lichaam van kinderen tussen de zeven en negen jaar wordt gespierder en het evenwicht en de coördinatie worden beter. De motoriek wordt veel beter en de handen kunnen afzonderlijk van elkaar gebruikt worden. De motorische ontwikkeling wordt steeds nauwkeuriger. De kinderen worden sterker, leniger, behendiger, en hebben een beter evenwichtsgevoel. Ze willen veel bewegen, oefenen, en vaardigheden leren. Denk eraan: er zijn grote verschillen tussen de jongste en de oudste kinderen van deze groep. De fijne motoriek is nu goed ontwikkeld, allerlei technieken worden beoefend: figuren maken met strijkkralen, sieraden maken, voorwerpen construeren met techno-lego of knex enzovoorts. Ook hierbij geldt dat het goed is om kinderen te laten weten dat je in de buurt bent om eventueel te helpen. Laat kinderen echter zelf om de hulp vragen.Stil zitten is op deze leeftijd erg moeilijk. Kinderen willen graag bewegen. Speel daarop in door het organiseren van verschillende bewegingsactiviteiten waarbij je strakke lijnen en duidelijke grenzen stelt.

Kinderen tussen 10 en 12 jaar

Lichamelijk gezien zijn alle lichaamsverhoudingen perfect, het coördinatievermogen is goed en het uithoudingsvermogen is groter. Dit betekent dus dat ze langer motorische activiteiten vol kunnen houden, ook omdat ze sterker zijn. De prestatie wordt steeds belangrijker. Speel hierop in door met competities aan de gang te gaan. Let er bij het maken van teams op dat je iets mindere spelers combineert met goede spelers zodat er voor iedereen kans is op overwinning en op een eerlijke competitie.

Tip

Verzamel verschillend materiaal waarmee de motorische ontwikkeling kan worden gestimuleerd. Denk daarbij niet alleen aan verschillende soorten materiaal als ballen, (loop)fietsen en steppen voor de grove motoriek, maar bijvoorbeeld ook aan stiften, kraaltjes en draad voor de fijne motoriek. Zorg ervoor dat de materialen vrij beschikbaar zijn voor kinderen zodat ze er zelf mee kunnen spelen; organiseer daarnaast verschillende speel- en bewegingsactiviteiten die aansluiten op de leeftijd van de kinderen. Denk aan kringspelletjes voor de jongste kinderen, meer uitdagende spelletjes voor de kinderen in de periode van 7-9 jaar (een parcours) en verschillende competities voor de oudste kinderen.

Stimuleren van de motorische ontwikkeling

  • Zorg voor uitdagende materialen waarmee zowel de fijne als de grove motoriek gestimuleerd wordt en leg ze (waar mogelijk) op een plek waar kinderen bij kunnen.
  • Geef kinderen tijd en ruimte (letterlijk en figuurlijk) om met materialen aan de slag te gaan en te ontdekken / ermee te oefenen. Stel je beschikbaar om kinderen te helpen, zonder te snel in te grijpen.
  • Zorg voor een veilige omgeving. De motorische ontwikkeling gaat met vallen en opstaan. Dat hoort erbij. Laat kinderen weten dat je in de buurt bent om eventueel te helpen, maar laat kinderen zelf om de hulp vragen.  
  • Maak afspraken met kinderen over (het gebruik van) de ruimte. Kinderen willen en moeten nu eenmaal vrij kunnen rennen, springen en dergelijke, maar ze moeten zich er ook van bewust zijn dat ze niet alleen zijn.