Leeftijdsadequaat handelen

Bij verschillende leeftijden horen verschillende ontwikkelingsfasen. Je hebt dit kunnen lezen in de beschrijving van de ontwikkeling van kinderen tussen 4 en 12 jaar. Kennis van die verschillende ontwikkelingsfasen is belangrijk om te weten welke materialen en activiteiten geschikt zijn, wat je van kinderen kunt verwachten en hoe je je eigen gedrag daaraan kunt aanpassen. De ontwikkeling van kinderen verloopt lang niet altijd in hetzelfde tempo. Soms maken kinderen op een bepaald gebied ineens een groeispurt. Daarom is het belangrijk dat je naast je kennis van verschillende ontwikkelingsfasen ook informatie over individuele kinderen verzamelt door ze te observeren. Koppel je informatie uit de observaties aan je kennis over de ontwikkeling van kinderen. Dit helpt je om goede keuzes te maken voor activiteiten, materiaal  en begeleiding.

De ontwikkeling van kinderen verloopt lang niet altijd in hetzelfde tempo

Geschikte activiteiten

In het algemeen geldt natuurlijk dat jongere kinderen meer begeleiding nodig hebben, terwijl oudere kinderen meer zelfstandig activiteiten kunnen uitvoeren. Dat heeft consequenties voor de aard van de activiteiten. Een veelgehoorde klacht van de oudere kinderen in de BSO is dat ze zich vervelen. Veel van de beschikbare materialen en activiteiten vinden zij te ‘kinderachtig’. Daarom is het goed om deze leeftijdsgroep nadrukkelijk te betrekken bij het opstellen van het activiteitenaanbod. Vraag wat ze zelf graag zouden willen doen. Geef suggesties die een sterk beroep doen op hun zelfstandigheid en organisatievermogen. Een voorbeeld is het maken van een BSO-krant: de kinderen vormen zelf de redactie, bepalen de inhoud, nemen interviews af, maken foto’s, printen en distribueren de krant. Ook het maken van een website of Hyves-pagina over de BSO kan voor de oudere kinderen een boeiende activiteit zijn. Het activiteitenboek bevat tal van activiteiten waarbij de diverse ontwikkelingsgebieden worden aangesproken. Daarbij is rekening gehouden met verschillende leeftijden.

Betrek de oudere BSO kinderen nadrukkelijk bij het opstellen van het activiteitenaanbod

Geschikte materialen

Kinderen vinden het meestal heerlijk om een film te kijken. Kijken met een groepje is natuurlijk nog leuker. Afgezien van de vraag of dit een geschikte activiteit is op de bso, moet je alert zijn op de geschiktheid van de film: niet alle films zijn geschikt voor alle kinderen, ook al staat er ‘geschikt voor alle leeftijden’ op. De scene met de jager in Sneeuwwitje kan voor jonge kinderen bijvoorbeeld behoorlijk angstaanjagend zijn. En de populaire videoclip bij Michael Jacksons ‘Thriller’ kan slapeloze nachten veroorzaken. Dit betekent dat je van al het materiaal waar je kinderen naar laat kijken goed moet weten wat het inhoudt en voor wie het geschikt is. Jij kent de kinderen en jij kunt die keuze het best maken.

Ook voor materialen met een meer cognitief karakter, zoals spellen, puzzels en constructiemateriaal, kun jij het beste inschatten of iets geschikt is voor een kind, ook al staat er op de doos een andere leeftijdscategorie. Dat betekent niet dat leeftijdsaanduidingen op speelgoed nutteloos zijn. Vaak zijn ze wel degelijk van toepassing en zeker wanneer je de kinderen nog niet zo goed kent, bieden ze een goed houvast. Voor meer informatie over geschikte materialen, zie hoofdstuk over adequaat spel– en ontwikkelingsmateriaal.

Eigen gedrag

Hoe jonger het kind, hoe minder je verbaal uitlegt over de activiteit die de kinderen gaan doen en hoe meer sturing je in de spelbegeleiding moet toepassen. Je legt dingen uit door ze te laten zien. Bijvoorbeeld door stil leggen van het spel en dan een nieuwe regel in te brengen.

Een goede begeleider is alert, maar bemoeit zich niet constant met de activiteiten van de kinderen. De kinderen weten dat je er bent en jij weet welke kinderen jou meer nodig hebben. Daarvoor is het nodig dat je weet wat je van kinderen kunt verwachten in bepaalde leeftijdsfasen. Als je je wat meer verdiept in de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen kun je voorkomen dat je kinderen aanspreekt op basis van verwachtingen die niet realistisch zijn. Een aardig voorbeeld is de gewetensvorming van kinderen. Kinderen leren al vroeg dat liegen niet mag. Kinderen die toch op liegen betrapt worden, kunnen rekenen op een flink standje. Het is echter goed om te weten dat jonge kinderen eenvoudigweg niet in staat zijn om de waarheid bewust te manipuleren op de manier die volwassenen liegen noemen. Voor jonge kinderen is de grens tussen fantasie en werkelijkheid nog niet zo duidelijk en soms herinneren ze zich gewoon niet of iets wel of niet is gebeurd. Ze zullen dus niet bewust liegen. Pas rond een jaar of zes gaan ze leugentjes om bestwil gebruiken, bijvoorbeeld om geen straf te krijgen of om een ander kind te beschermen. Als je je hiervan bewust bent, stel je je anders op in een gesprek met een kind. Dan leg je minder de nadruk op wat er nu eigenlijk wel of niet gebeurd is; je richt je meer op een afspraak die in het algemeen is gemaakt en waarvan je verwacht dat alle kinderen zich eraan zullen houden.

Een goede begeleider is alert, maar bemoeit zich niet constant met de activiteiten van de kinderen

Ook op het gebied van de taal- en begripsontwikkeling liggen misverstanden op de loer als je niet weet wat een kind begrijpt en zelf kan verwoorden. Het kan gebeuren dat een kind niet reageert op een vraag van jou omdat het geen antwoord weet, maar het kan ook zo zijn dat het niet begrijpt wat je zegt. Een voorbeeld: kinderen ontwikkelen begrip van hoeveelheden en verhoudingen rond hun vijfde jaar. Als je nu een kind van vier een paar keer hebt gevraagd om ‘evenveel’ rode kraaltjes neer te leggen bij de groene kraaltjes en het kind doet dat niet of reageert met wegkijken, dan is de kans groot dat hij het begrip ‘evenveel’ nog niet kent. Doorgaan met deze vraag leidt dan tot frustratie. Je voelt dit aan en je past je gedrag aan. Je pakt een groene kraal en legt er een rode naast: “Zo, bij elke groene kraal leggen we een rode kraal.” En als je dat samen gedaan hebt, kun je gerust zeggen: “Nu hebben we evenveel rode kralen als groene kralen.” Je hebt dan laten zien wat het begrip inhoudt en dan kun je het benoemen. Verwacht echter niet dat het kind dit begrip ook direct zelf kan gebruiken.

Leeftijdsadequaat handelen

  • Om de reacties van kinderen te begrijpen en effectief je rol als begeleider te kunnen spelen is het dus nuttig om een gedegen kennis hebben van de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen. Je kunt dan je indrukken uit observaties en interacties effectiever gebruiken om je verwachtingen en je gedrag aan te passen. Diezelfde kennis van de ontwikkeling van kinderen en kennis uit observaties van kinderen zijn belangrijk bij het kiezen van geschikte activiteiten en bij het aanbieden van de juiste spel- en ontwikkelingsmaterialen.