Activiteit

Wie of wat ben ik?

Vooraf 

Knip van papier kaartjes. Schrijf op elk kaartje de naam van een bekend persoon, een dier of een voorwerp. Als bekend persoon kun je de naam van een beroemd persoon opschrijven, zoals een acteur of de koningin. Maar je kunt ook iemand opschrijven die de kinderen goed kennen, zoals een pedagogisch medewerker. Blijf dicht bij de belevingswereld van de kinderen; schrijf namen op waarvan je denkt dat de kinderen ze kennen (ontwikkelingsstimulering). Begin met de gemakkelijke namen, zodat de kinderen snel succes hebben als ze het spel net spelen. Als iedereen een keer aan de beurt is geweest, kun je wat moeilijkere namen proberen. Zorg voor ten minste 20 kaartjes met namen erop.

Deze activiteit duurt ongeveer 30 minuten.

Speluitleg

Leg de activiteit uit. De kinderen krijgen een kaartje op hun voorhoofd geplakt. Op het kaartje staat de naam van een bekend persoon, een dier of een voorwerp. De kinderen worden verdeeld in twee teams. Ze moeten raden wie of wat ze zijn. Ze mogen daarvoor vragen stellen aan de kinderen van het andere team. Het mogen alleen vragen zijn waarop je met ‘ja’ of ‘nee’ kunt antwoorden. De kinderen van het andere team geven de antwoorden en aanwijzingen, maar verklapt natuurlijk niet het woord!

Welk team raadt het vaakst of het snelst wie of wat ze zijn?

Speel je met een tijdslimiet? Geef dan duidelijk aan wat de regels zijn (structureren en grenzen stellen).

Zorg ervoor dat de kinderen de uitleg goed kunnen verstaan. Begrijpen ze wat de bedoeling is? (structureren en grenzen stellen). Laat het spel daarna beginnen!

Spelbegeleiding

Verdeel de kinderen in twee teams van ongeveer drie of vier kinderen: team A en team B. Deze teams moeten tegenover elkaar gaan staan of zitten. Jijzelf bent de spelleider. Plak eerst bij de kinderen van team A een kaartje op het voorhoofd. Laat de kinderen van dit team om de beurt raden wie of wat ze zijn. De kinderen van team B mogen de antwoorden geven.

Laat de kinderen zoveel mogelijk zelf antwoorden geven (respect voor autonomie). De kinderen uit hetzelfde team mogen elkaar helpen met antwoorden geven (begeleiden van interactie tussen kinderen). Stuur alleen bij als de antwoorden niet kloppen. Raadt een kind wie of wat hij is? Laat het andere team bevestigen dat het goed geraden is (begeleiden van interactie tussen kinderen). Complimenteer het kind met zijn antwoord (sensitieve responsiviteit). Wat knap dat hij (al zo snel) weet wie of wat hij is!

Raadt een kind niet wie of wat hij is? Laat de andere kinderen van zijn team helpen. Lukt het dan nog niet? Vraag of team B nog een paar aanwijzingen kan geven.

Hebben alle kinderen van team A geraden wie of wat ze zijn of is de tijd om? Draai dan de rollen om. De kinderen van team B krijgen nu een kaartje op hun voorhoofd geplakt. Nu mogen zij vragen stellen aan de kinderen van team A. Tot ook zij geraden hebben wie of wat ze zijn.

Afsluiting

Je kunt meerdere ronden spelen, afhankelijk van hoe lang je het spel wilt laten duren. Kondig op tijd aan dat het spel bijna afgelopen is (structureren en grenzen stellen).

Bespreek de activiteit eventueel na met de kinderen: wat vonden de kinderen leuk aan het spel en wat minder leuk? Welke naam of welk voorwerp raadden ze heel snel, en welke juist niet? (sensitieve responsiviteit, respect voor autonomie, praten en uitleggen). Houd de nabespreking kort (structureren en grenzen stellen), maar zorg wel dat de kinderen kwijt kunnen wat ze kwijt willen (sensitieve responsiviteit).

Ruim de tafels en stoelen weer op met de kinderen. Ga je de kaartjes vaker gebruiken? Ruim dan ook de kaartjes goed op.

Aanwijzingen voor gebruik van de ruimte

Je kunt dit spel zowel binnen als buiten spelen. Zorg voor twee tafels; voor elk team een. Ga zelf op een stoel zitten, aan de kop van de twee tafels, eventueel achter een klein tafeltje. Jij bent de spelleider; zo zie je goed wat de kinderen doen.

Aanwijzingen voor materiaalgebruik

Benodigd materiaal:

  • Papier om kaartje van te knippen. Post-it's zijn makkelijker - MS 
  • Pen of potlood.
  • Schaar en plakband.
  • Eventueel een zandloper of wekker om de tijd bij te houden.
  • Eventueel witte etiketstickers in plaats van kaartjes.

Omgang met risico’s

Het kan zijn dat een kind vindt dat hij goed geraden heeft wie of wat hij is, maar dat jij toch besluit dat het antwoord niet goed is. Bijvoorbeeld omdat de naam voorgezegd is, of omdat het kind net niet de goede naam genoemd heeft. Het kind kan daar boos om worden. Verwoord dan waarom je tot je beslissing bent gekomen (praten en uitleggen). Belangrijk is dat de kinderen het gevoel hebben dat ze gezien en gehoord zijn (sensitieve responsiviteit).

Ontwikkeling

De kinderen moeten zelf vragen bedenken en stellen om te raden wie of wat ze zijn. Hierdoor oefenen ze op speelse wijze hun taalgebruik. Hoe komen ze erachter of ze een mens of een dier zijn, of ze bekend zijn bij heel veel mensen of alleen binnen de buitenschoolse opvang (taalontwikkeling)?

Kinderen van deze leeftijd kunnen vaak niet heel lang hun aandacht bij een spel houden. Speel het spel niet te lang; houd goed in de gaten of de kinderen het nog leuk vinden (cognitieve ontwikkeling).

Variatiemogelijkheden

Materiaalgebruik:

-         Als je de kaartjes lamineert, kun je het spel vaker gebruiken.

-         In plaats van kaartjes die je op het voorhoofd plakt, kun je ook kaartjes op de rug van een kind spelden met een veiligheidsspeld. Of je kunt witte etiketstickers gebruiken waarop je de naam van een persoon, dier of ding schrijft. Deze stickers kun je op het voorhoofd plakken, of op de rug van de kinderen.

Spelvariatie:

-   Je kunt de kinderen zelf de kaartjes laten maken voor het andere team. Let er dan wel op dat de moeilijkheidsgraad van de kaartjes voor beide teams ongeveer gelijk is.

-   Je kunt dit spel op tijd spelen; bijvoorbeeld door elk kind een minuut de tijd te geven om vragen te stellen. Houd de tijd bij met een zandloper of een wekker.

-  Je kunt een ouder kind als spelleider op laten treden.

-  Je kunt het spel ook met minder kinderen spelen, in één team. Plak een kind een kaartje op zijn voorhoofd, en laat hem vragen wie of wat hij is. De overige kinderen mogen zijn vragen beantwoorden.

Leeftijd:

Je kunt het spel ook met kinderen van 10 -12 jaar spelen. Voor deze leeftijdsgroep kun je moeilijkere namen op de kaartjes schrijven. Denk aan (internationale) popsterren, profvoetballers, tv-presentatoren of acteurs en actrices.

Achtergrondinformatie

Dit spel wordt ook op tv gespeeld; je kunt eventueel samen met de kinderen een keer een aflevering van het spel Wie ben ik? bekijken.

Reageer

Je moet ingelogd zijn om reacties te kunnen plaatsen.

Gebruikerswaardering:

Ontwikkelingsgebied: Taal ontwikkeling

Spelgebied: Sport en spel

Locatie: Binnen

Groepsgrootte: 6 - 10 kinderen

Leeftijd: 7 - 9 jaar

Door: SamenspelopdeBSO