Activiteit

Proefjes met ballonnen

Vooraf

Leg de benodigde spullen klaar. Blaas vast ballonnen op, voor elk kind tenminste een.

Deze activiteit duurt ongeveer 30 tot 45 minuten.

Speluitleg

Vertel dat de kinderen zelf eerst papiertjes mogen knippen aan de tafel (respect voor autonomie). Die hebben ze nodig voor een proefje. Vertel dat de kinderen daarna in vier groepjes om de beurt vier proefjes gaan doen met de ballonnen. Ze doen de proefjes op verschillende plekken in de ruimte. Wijs aan waar ze de proefjes gaan doen. Vertel dat elk groepje met een ander proefje begint. Daarna draaien de groepjes door, en gaan ze naar het volgende proefje. Net zo lang tot alle groepjes de vier proefjes gedaan hebben (structureren en grenzen stellen). 

Zorg ervoor dat de kinderen je uitleg goed kunnen verstaan. Begrijpen ze wat de bedoeling is (structureren en grenzen stellen)?

Geef alle kinderen een paar vellen (vloei)papier en een kinderschaar. De kinderen mogen de vellen papier in snippers knippen. Doe alle snippers in een bak of doos. Zijn de kinderen klaar? Verdeel dan de kinderen in vier groepen van ongeveer vier kinderen. Zorg dat elke groep begeleid wordt door iemand. Bijvoorbeeld door een pedagogisch medewerker, of door een ouder kind (begeleiden van interactie tussen kinderen). Ga daarna met elk groepje naar een andere hoek van de ruimte. Doe in elke hoek een proefje. Deze proefjes zijn gebaseerd op statische electriciteit. Het is voor kinderen van deze leeftijd nog te moeilijk om te begrijpen hoe dat precies werkt. Op deze leeftijd gaat het nog vooral over het ontdekken van natuurverschijnselen en de verwondering daarover. Laat zien wat er gebeurt met de ballon als je hem over je trui of t-shirt wrijft (zie proefje 1). Gebruik daarbij wel de woorden 'staticiteit' en 'statisch'. Zo leren de kinderen spelenderwijs nieuwe (moeilijke) woorden.

Proefje 1: Geef elk kind een ballon. Wrijf de ballon over je trui of T-shirt heen. Vertel dat de ballon daar ‘statisch’ van wordt. Houd de ballon tegen je T-shirt aan. ‘Kijk maar, de ballon blijft aan mijn T-shirt of trui plakken!’ Kunnen de kinderen de ballon ook laten plakken aan hun T-shirt? Laat de kinderen het zelf proberen (respect voor autonomie). Ze kunnen de ballonnen ook aan een ander kind laten plakken! Houd daarna ook eens twee geladen ballonnen tegen elkaar aan. Wat gebeurt er nu? (Als het goed is stoten de twee ballonnen elkaar nu juist af.)

Proefje 2: Geef elk kind een ballon. Wrijf de ballon over je trui of T-shirt heen. ‘Nou is de ballon weer ‘statisch’. Weten jullie wat er nu ook aan de ballon blijft plakken? Haar!’ Houd de ballon boven het hoofd van een kind. Kijk of het haar van het kind overeind gaat staan. Dat ziet er grappig uit! Kunnen de kinderen dat ook bij elkaar doen? Laat de kinderen het bij elkaar uitproberen (respect voor autonomie). Bij sommige kinderen zal dit proefje beter lukken dan bij andere kinderen; niet elk haartype wordt even gemakkelijk statisch. Je kunt met je groepje uitproberen welk kind het wildste statische haar krijgt.

Proefje 3: Geef elk kind een ballon. Wrijf de ballon over je trui of T-shirt heen. ‘Zo, nou is de ballon weer ‘statisch’. Kijk nu met de kinderen of de snippers papier (die de kinderen geknipt hebben) ook blijven plakken aan de ballon. Leg wat snippers op een tafeltje. Houd de ballon erboven. Als het goed is worden de snippers omhoog gezogen door de statische elektriciteit. Na een poosje stroomt de elektriciteit weer weg, en dwarrelen de snippers papier weer omlaag. Laat de kinderen het zelf proberen (respect voor autonomie)

Proefje 4: Geef elk kind een ballon. Wrijf de ballon over je trui of T-shirt heen. ‘Zo, nou is de ballon weer ‘statisch’. Onderzoek met de kinderen of water ook aan de ballon blijft plakken. Vul de beker met water. Houd een geladen ballon boven een bak met water. Giet nu langzaam de beker leeg in de bak. Houd de geladen ballon naast de waterstraal. Als het goed is, buigt de waterstraal af naar de ballon. Laat de kinderen het om de beurt zelf proberen (respect voor autonomie).

Spelbegeleiding

Laat de kinderen in elke hoek een proefje doen. De kinderen mogen zelfstandig aan de slag gaan en experimenteren met de ballonnen (respect voor autonomie). Help de kinderen als dat nodig is, of laat de kinderen elkaar helpen (begeleiden van interactie tussen kinderen). Stimuleer hen te onderzoeken wat er met de ballonnen gebeurt en waarom (ontwikkelingsstimulering). Complimenteer de kinderen regelmatig met hun experimenten. ‘Wat heb je goed over de ballon gewreven, hij is nu helemaal statisch geworden zie je dat? (sensitieve responsiviteit).

Afsluiting

Hebben de kinderen alle proefjes gedaan? Ruim dan gezamenlijk de spullen op. Complimenteer de kinderen: ‘Wat hebben jullie goed meegedaan met de proefjes!’ (sensitieve responsiviteit). Tot slot kun je de ballonnen gebruiken voor een ballonnenspel (bijvoorbeeld activiteit ‘Alle ballonnen in de lucht!’).

Bespreek de activiteit nog even na met de kinderen. Vonden de kinderen het leuk om proefjes te doen? Welk proefje vonden ze het leukste om te doen? Wat gebeurde er precies met de ballonnen (sensitieve responsiviteit, respect voor autonomie, praten en uitleggen)? Houd de nabespreking kort (structureren en grenzen stellen), maar zorg wel dat de kinderen kwijt kunnen wat ze kwijt willen (sensitieve responsiviteit).

Aanwijzingen voor gebruik van de ruimte

Je doet deze activiteit binnen, op vier verschillende plekken. Doe bijvoorbeeld in elke hoek van de ruimte een proefje. Zet in een hoek de doos met snippers klaar op een tafel. Hier doen de kinderen proefje 3. In een andere hoek zet je een bak met water klaar op een tafel, plus een beker. In deze hoek doen de kinderen proef 4. In de andere twee hoeken zijn geen extra materialen nodig; hier doen de kinderen proefje 1 en 2. 

Zet je een parcours met meerdere proefjes uit (zie Spelvariatie, suggestie 1)? Je kunt een ‘laboratoriumhoek’ inrichten met verschillende materialen die de kinderen kunnen gebruiken voor de proefjes. Hier kun je ook boeken neerleggen met voorbeelden van proefjes. Of een map met uitdraaien van internetpagina’s. Afhankelijk van het soort proefjes dat een kind wil doen, kun je andere materialen verzamelen (of ze kopen). Een dergelijke hoek hoeft overigens niet vast te zijn, je kunt de materialen voor de proefjes ook verzamelen in een kist of een doos. Op die manier kun je de laboratoriumhoek steeds anders inrichten.

Aanwijzingen voor materiaalgebruik

Benodigd materiaal:

  • Ballonnen, voor elk kind tenminste een.
  • Voor elk kind een (kinder)schaar.
  • Per kind een paar vellen (vloei)papier.
  • Een bak of doos om de snippers papier in te doen.
  • Een bak water en een beker.

Omgang met risico’s

De kinderen gebruiken een schaar om papier te knippen. Zorg dat de kinderen alleen kinderscharen gebruiken om ongelukken te voorkomen.

Daarnaast doen de kinderen de proefjes met ballonnen. Ballonnen kunnen natuurlijk kapot gaan en daar kunnen kinderen van schrikken. Troost de kinderen als dat gebeurt, zorg daarnaast voor voldoende reserveballonnen.

De proefjes zijn gebaseerd op statische elektriciteit. Statische elektriciteit maak je gemakkelijker op droge, koude dagen dan op warme, vochtige dagen.

Tot slot gebruik je water voor proefje 4. Zorg ervoor dat het geen kliederboel wordt (als je dat niet wilt). Voor de zekerheid kun je een zeil over de tafel leggen zodat niet alles nat wordt. 

Ontwikkeling

De kinderen doen proefjes met ballonnen. Ze ontdekken dat ze een ballon statisch kunnen maken door hem over hun trui of T-shirt te wrijven. Daardoor blijven er dingen ‘plakken’ aan de ballon (cognitieve ontwikkeling). Sommige proefjes doen de kinderen samen. Daarnaast helpen ze elkaar als dat nodig is (sociale ontwikkeling). De kinderen leren de woorden staticiteit en statisch. Ze ervaren wat er gebeurt als iets statisch is (taalontwikkeling). Het is niet belangrijk dat ze nog niet begrijpen hoe staticiteit precies werkt.

Variatiemogelijkheden

Groepsgrootte:

Je kunt deze activiteit ook in tweetallen of met een kleinere groep doen. In dat geval kunnen alle kinderen de vier proefjes na elkaar doen.

Materiaalgebruik:

Je kunt ook andere materialen laten plakken aan de ballonnen. Bijvoorbeeld watjes, veren, zandkorreltjes… Je kunt ook uittesten met de kinderen welke materialen wel blijven plakken, en welke materialen niet. Je kunt de kinderen laten voorspellen wat er gaat plakken, en wat niet. Daarna kun je hun voorspelling controleren door het uit te testen.

Spelvariatie:

- Je kunt nog veel meer proefjes doen met jonge kinderen. Je kunt bijvoorbeeld onderzoeken welke voorwerpen blijven drijven in water, en welke niet. Je kunt een heel parcours uitzetten met verschillende proefjes.

- Je kunt voor elk kind een soort stempelkaartje maken dat ze om hun nek kunnen hangen. Op het kaartje geef je met vier tekeningetjes in vier vakken de verschillende proefjes aan. Heeft een groepje een proefje gedaan? Dan zet je een kruis door dat vak. Zo zien de kinderen welke proefjes ze al gedaan hebben, en welke ze nog gaan doen (structureren en grenzen stellen).

- Je kunt foto’s maken van de kinderen als ze de proefjes doen. Leuk voor de website!

- Je kunt alle groepen met kleuters laten begeleiden door oudere kinderen. Je kunt dan zelf rondlopen en de grote lijn bewaken.

Leeftijd:

Je kunt deze activiteit ook met oudere kinderen doen. Oudere kinderen hebben minder begeleiding nodig. Oudere kinderen kun je uitleg geven over statische elektriciteit: dit betekent dat er kleine deeltjes van de ballon op je T-shirt of trui komen. De deeltjes die overblijven op de ballon zorgen ervoor dat de ballon gaat ‘plakken’ (praten en uitleggen, ontwikkelingsstimulering).

Achtergrondinformatie

Bron: Gebaseerd op de activiteit ‘Ballonnensneeuwstorm’, pagina 118 van Het grote Activiteiten en Spelletjesboek (vertaald door Gea Scheperkeuter, redactie Eveline Deul. Veltman Uitgevers, 2002).

Reageer

Je moet ingelogd zijn om reacties te kunnen plaatsen.

Gebruikerswaardering:

Ontwikkelingsgebied: Cognitieve ontwikkeling

Spelgebied: Techniek en wetenschap

Locatie: Binnen

Groepsgrootte: 1 - 40 kinderen

Leeftijd: 4 - 6 jaar

Door: SamenspelopdeBSO